Home Organisatie Contact Open dag Verslagen en Foto's Ouders Literatuur


Interview met Wim Voorbeijtel in Trouw, 4 juni 2005

Enig kind zijn is vaak niet leuk, maar heeft ook zo zijn voordelen.
door Marloes Zevenhuizen

Opgroeien als enig kind in het gezin: in Nederland is dat niet uitzonderlijk meer. Wim Voorbeijtel (63) groeide echter zonder broers en zussen op in een periode waarin kleine gezinnen eerder uitzondering dan regel waren. “Mijn ouders dachten vlak na de oorlog: we vinden de wereld eigenlijk geen geweldige plek. We willen daar niet graag een tweede kind op zetten. Maar ik kan me eigenlijk niet anders herinneren, dan dat ik ook wel een broer of een zus wilde hebben”.

Voorbeijtel richtte jaren later, in 1996, de Vereniging Enig Kind op. Eens in het kwartaal komen de leden – variërend in leeftijd van dertig tot zeventig – bij elkaar en praten over het enig kind zijn. Daarnaast is het vooral gezelligheid en geen therapieclubje, benadrukt Voorbeijtel. “De eerste jaren wilden we wel hulp bieden, maar primair ging het om de gezelligheid. Toen kwamen er een paar mensen langs die eerder bij de psycholoog thuishoorden dan bij ons. Onze doelstelling is nu: een samenkomst van mensen met dezelfde achtergrond.”

Die gedeelde achtergrond heeft Voorbeijtel geïnventariseerd bij de leden van zijn vereniging. Op een lijstje heeft hij een aantal punten geschreven waarin zij zich herkennen. Want hoewel het enig kind zijn zowel voor- als nadelen heeft, slaat de weegschaal toch net iets meer door naar de negatieve kant.

Als eerste negatieve punt noemt Voorbeijtel het gevoel van alleen zijn dat enig kinderen hebben. “Daarmee samen hangt het idee dat je familie te klein is. Ook voel je je als enig kind sneller ongemakkelijk in sociale situaties. Mensen met broers en zussen zijn meer gewend aan voortdurende interactie. Dat zie ik bij vrienden die meerdere kinderen hebben. Broers en zussen reageren iedere seconde op elkaar. In groepsverband is dat ook zo. Als enig kind sta je vaak een beetje aan de rand te kijken. Je doet wel mee, maar je tempo ligt wat lager.”

Andere nadelen zijn volgens Voorbeijtel de geringe mogelijkheid om gevoelens en ervaringen uit te wisselen, het missen van een voorbeeld als het gaat om praktische oplossingen, en het gebrek aan steun van een broer of zus. “Je hoort wel eens van anderen: ‘Toen hadden we pa en ma mooi te grazen genomen’. Dat lukt je in je eentje niet. Je kunt niet samenzweren, alleen maar openlijk rebelleren.” Met broers en zussen is meer evenwicht in een gezin, meent Voorbeijtel. “Je ouders zijn met zijn tweeën en jij bent alleen. Ouders proberen daar wel een soort drie-eenheid van te maken, maar in veel situaties blijft het twee tegen één.”

Of enig kinderen een andere band met hun ouders hebben, vindt Voorbeijtel lastig om te beoordelen. “Als ik naar mezelf kijk, denk ik dat wel. Je wordt soms gebruikt door je ouders om te compenseren wat zij niet hebben kunnen doen. Als enig kind moet je die taak alleen vervullen. Dan kijken je ouders minder naar je mogelijkheden en meer naar wat zij van je willen.”

Verder ben je volgens hem – zeker als het in een huwelijk niet goed gaat – te veel een gesprekspartner voor een van de partijen. “Je wordt gebruikt om angsten of ergernissen mee te delen. Zelfs als ouders zich ervan bewust zijn dat ze dat niet moeten doen, gebeurt het in emotionele situaties waarschijnlijk toch automatisch. Als enig kind is dat intenser.”

Maar toch, als je enig kind bent heeft dat ook zijn voordelen. Voorbeijtels prettigste herinnering stamt uit de tijd dat hij met zijn ouders op een flat woonde. “We hadden een balkon op het zuiden. Mijn moeder zette een teil neer, daarin kon ik mijn gang gaan. Ik vond het heel leuk om dat in mijn eentje te doen. Ik had geen last van anderen die ook in mijn zwembad wilden duiken. Als enig kind had ik alle aandacht van mijn moeder en kon ik doen wat ik wilde.”

Voorbeijtel merkte dat je als enig kind nooit hoeft te vechten om aandacht van je ouders. “Je bent de focus van de hele opvoedkundige praktijk die zij hanteren.” Ook zijn er volgens hem materiële voordelen. “Dat is één van de redenen waarom mensen maar één kind nemen. Ze zijn bang dat ze het niet kunnen geven wat ze willen. Als enig kind hoef je ruimte en dergelijke niet te delen. Je hoort mensen met broers en zussen wel eens zeggen: Ik heb nooit ruimte gehad, ik werd altijd gestoord. Terwijl enig kinderen juist wél gestoord zouden willen worden.”

Verder meent Voorbeijtel dat je als enig kind makkelijker voor je mening uitkomt. “Binnen de vereniging doet iedereen dat redelijk snel. Als enig kind word je niet belachelijk gemaakt door broers of zussen. Hoewel je dus in sociale situaties aan de ene kant het gevoel hebt dat je wat trager reageert dan anderen, durf je wel je mening te geven omdat je minder bang bent wat anderen zullen zeggen.”

Volgens Voorbeijtel is het een cliché dat enig kinderen niet leren delen. “Juist omdat het zo’n cliché is, denk ik dat ouders daar erg alert op zijn. Mijn moeder vertelde bijvoorbeeld dat ik raar bezig was met speelgoed. Van de tien autootjes bleven er twee over voor mijn vriendje. Ik vond dat al heel mooi van mezelf, want die autootjes waren toch zeker van mij.”

Als ander cliché noemt Voorbeijtel dat enig kinderen niet sociaal zijn en egocentrisch. “Je wordt als enig kind juist gedwongen om naar buiten te kijken. Je moet zelf initiatieven nemen ten opzichte van het sociale leven, anders sta je er alleen voor.”

Het gevoel broers en zussen te willen hebben is voor Voorbeijtel nooit uitgelopen in frustratie. “Gaandeweg merk je dat je door vriendschappen ook heel ver kunt komen. Vriendschap is voor enig kinderen belangrijker. Dat merk ik wel eens als vrienden dingen doen die me echt raken. Daar kan ik heel kwaad om worden en ook wel een vriendschap om beëindigen.“

C Trouw, 4 juni 2005